Koninklijke Vereniging voor Muziekgeschiedenis

Herfstbijeenkomst

4 december 2010
Antwerpen, De Singel, Muziekstudio

Studiedag "Muziekgeschiedenis in Vlaanderen Vandaag"

In het hoger onderwijs wordt het vak muziekgeschiedenis gedoceerd aan de Universiteiten van Leuven en Gent als onderdeel van de opleiding Musicologie. De Vrije Universiteit Brussel heeft een vak muziekgeschiedenis als ondersteunend opleidingsonderdeel in het programma Kunstwetenschappen. Muziekgeschiedenis behoort ook tot het standaard curriculum aan de drie conservatoria, Brussel, Gent en Antwerpen, en aan het Lemmensinstituut. De studiedag van de Koninklijke Vereniging voor Muziekgeschiedenis had tot doel om de jongste generatie die in het vakgebied actief is aan het woord te laten. We spreken niet meer van studenten of afgestudeerden, maar van onze nieuwe collega's. We heten hen alvast hartelijk welkom in het vakgebied.



Wie de onderwerpen van bachelor- en masterproeven aan de universiteiten en conservatoria overloopt, zal merken dat de jonge garde met heel diverse dingen bezig is. Zij kiezen onverwachte onderwerpen, nieuwe invalshoeken, en hanteren een zeer ruime definitie van wat zij onder muziek verstaan. De nieuwe generatie beperkt zich niet tot de studie van de klassieke canon en de beproefde muziekhistorische methodologie. De confrontatie met hun gezichtspunten is stimulerend en verfrissend. Om die reden koos de Vereniging ervoor om jonge afgestudeerden aan de Vlaamse instellingen aan het woord te laten over het onderzoek dat zij voor hun afstudeerprojecten hadden uitgevoerd. Hoe gingen we te werk? We hebben alle verantwoordelijke docenten aan de universiteiten en conservatoria gevraagd om hun beste studenten te delegeren. De werkwijze is misschien niet zaligmakend en kan voor volgende edities worden bijgeschaafd. Het succes van deze editie toont wel aan dat de belangstelling voor dergelijke bijeenkomsten groot is en dat het initiatief potentieel heeft om uit te groeien tot een traditie. Onze jonge collega's waren in ieder geval tevreden dat zij hun mening konden vertolken en kennismaken met hun vakgenoten.



Het doctoraat in de kunsten is ook een recent fenomeen. Er wordt heel wat gedebatteerd over hoe dat doctoraat er moet uitzien en wie het moet uitreiken. Alle discussie terzijde, moeten we vaststellen dat de oogst aan nieuwe doctoraten tot nu toe al veelbelovend is geweest. Om die reden vroegen we ook een recente doctor in de kunsten, Luk Vaes, om zijn onderzoek toe te lichten. Zijn studie over "Extended Piano Techniques" is een goudmijn voor pianisten en uitvoerders van hedendaagse muziek, maar is ook muziekhistorisch een grensverleggend standaardwerk. De uiteenzettingen en debatten waren rijk gestoffeerd en levendig. Iedereen sprak met enthousiasme. Door musicologen en musici samen aan het woord te laten, bleek uiteraard een zeker verschil in aanpak en manier van presenteren. Dat verschil is een rechtstreeks gevolg van de finaliteit van de studies in beide richtingen. Voor een musicoloog is de finaliteit wetenschappelijk, voor een musicus vooral praktisch. Toch blijkt het eens te meer belangrijk om musicologen en musici met elkaar in dialoog te laten gaan. Het vakgebied van de muziekgeschiedenis heeft vele kamers en vele gezichten. We beschouwen diversiteit als een rijkdom en een bron van stimulansen en uitwisselingen. Met dit initiatief hopen we bij te dragen tot een intensere samenwerking en dialoog tussen musicologen en musici.



De algemene indruk van de studiedag laat zich eenvoudig samenvatten: het vakgebied van de muziekgeschiedenis verkeert in goede gezondheid en is bij de jonge collega's in goede handen. De Koninklijke Vereniging voor Muziekgeschiedenis dankt alle sprekers, alle medewerkers, en in het bijzonder de directie van deSingel. Zij waren bereid om de prachtige nieuwe muziekstudio voor ons ter beschikking te stellen, inclusief technische ondersteuning.

Francis Maes
voorzitter KVMG



Abstracts van de lezingen

Tobias Hermans: De rol van de beek in Die schöne Müllerin van Wilhelm Müller



Muziekliefhebbers associëren Die schöne Müllerin onmiddellijk met Schubert en vergeten daarbij vaak de dichter van de aan de liedcyclus ten gronde liggende gedichten, Wilhelm Müller. Daarom heb ik in mijn presentatie enkele aspecten uit mijn bachelorpaper "Die Rolle des Baches in Wilhelm Müllers Die schöne Müllerin"(UGent, 2010) belicht aan de hand van het gedicht "Tränenregen". Het onderzoek is gevoerd in het kader van een literaire opleiding, maar kan voor muziekhistorici ook relevant zijn. Daarbij heb ik mij enerzijds geconcentreerd op het intratekstuele verschijnen van de beek binnenin de handeling van de gedichtencyclus zelf, anderzijds op haar intertekstuele functie als literaire topos. Intratekstueel viel het op, hoe de drie kenmerkende aspecten bij een directe confrontatie tussen de beek en de molenaarsknecht (verwarring, contactverlies met de omgeving en doodsverlokking), ook in "Tränenregen" op een zowel thematisch als formeel niveau terugkeerden, waaruit bleek dat de beek meer dan een louter thematische rol heeft, maar ook een structurele functie binnenin de hele cyclus vervult. Intertekstueel heb ik proberen aan te tonen, hoe Müller de traditionele plaats van de beek in de idylle aanwendt om diezelfde idylle neer te halen. Voornamelijk de overeenkomsten met Heinrich Heine's Stimmungsbrechung duidden erop, hoe Müller met zijn Bächlein een nieuwe omgang met gevoelens in lyriek anticipeert en zo uiteindelijk reeds een afscheid aan de romantiek in haar geheel voorbereidt.


Judith van Eeckhout: "Myth and money: Het romantische kunstenaarsbeeld en de popmuziekindustrie vandaag - een sociologische analyse"



In "Myth and money. Het romantische kunstenaarsbeeld en de muziekindustrie vandaag. Een sociologische analyse" wordt van naderbij bekeken of rock- en popmuzikanten vandaag nog beïnvloed zijn door 19de-eeuwse idealen omtrent kunstenaarschap en creativiteit, en hoe dit denken zich verhoudt tot de realiteit van de muziekindustrie. Aan de hand van interviews met (semi-)professionele muzikanten uit het alternatieve circuit en enkele gesprekken met platenbazen, producers en managers, werd getracht een beeld te schetsen hoe de romantiek vandaag nog doorwerkt: ideologie staat niet enkel náást de muziekmarkt, maar speelt een effectieve rol in de creatieve processen en de economische realiteit. Clichés over platenfirma's worden bevestigd én ontkracht, maar het wordt alleszins duidelijk dat - hoewel ze ingebed zijn in een economisch systeem - hedendaagse muzikanten uit het alternatieve circuit op zoek gaan naar een eigen geluid en een hoger esthetisch doel nastreven. Dit uit zich in uiteenlopende strategieën en persoonlijke invullingen van Romantische ideeën, die beschreven worden aan de hand van concrete situaties en ervaringen uit hun muzikale carrière.

Samenvatting: http://www.poppunt.be/public/info.jsp?f=567
Thesis: http://www.muziekcentrum.be/document.php?ID=5974


Tom De Praetere: De muziekfilosofie van Adorno

Adorno was ervan overtuigd dat de West-Europese autonome muziek een cognitieve functie had. Deze overtuiging was gebaseerd op zijn ambivalente notie dat autonome muziek de concepten en logica van discursieve rationaliteit had overgenomen om haar expressieve inhoud te beschermen. In deze context zag hij een analogie tussen taal en muziek: ze hebben beide mimetische en conceptuele kenmerken die resulteren in cognitieve betekenis. Deze talige eigenschap van autonome muziek constitueert een noodzakelijke voorwaarde in Adorno's gebruik van waarheid als centraal esthetisch concept.



Adorno zag zijn taak als 'muziekfilosoof' in het extrapoleren van de betekenis van muziek. Deze betekenis bepaalt haar waarheidsgehalte [Wahrheitsgehalt]. Ondanks het feit dat hij dit concept pas expliciet heeft ontwikkeld in zijn Ästhetische Theorie (1969), was het reeds onmiskenbaar aanwezig in zijn vroegste muziekkritieken in verschillende gedaantes. Dit 'waarheidsgehalte' is het resultaat van drie sterk intergerelateerde kritische lagen: (i) een immanent-structurele laag, in de vorm van consistentie [Stimmigkeit] tussen muzikaal idee en de uitwerking ervan in de formele structuur, (ii) een sociologische laag, in de vorm van ideologie [Ideologie] en (iii) een historisch-filosofische laag, in de vorm van authenticiteit [Authentizität]. Het onderliggende redeneringmechanisme van zijn esthetica was de negatieve dialectiek. Deze wordt gekenmerkt door contradictie en een specifieke focus voor niet-identiteit. Voor Adorno leek de aard van de dialectiek in autonome muziek op een basaal niveau, reeds een zeker waarheidsgehalte uit te drukken.


Nicolas De Troyer: Parijs 1919-39, een muzikale microkosmos. Vernieuwende orgelklanken?



Deze scriptie wil een beeld schetsen van het cultuurhistorische en muzikale klimaat tijdens het interbellum in Parijs. Binnen deze context wordt dieper ingegaan op de vernieuwende tendensen binnen de orgelschriftuur. In de eerste hoofdstukken wordt de Parijse artistieke microkosmos nader onderzocht. We zien er een zeer breed spectrum van kunststromingen de revue passeren. Ik geef tevens een kort overzicht van de belangrijke orgeldocenten aan het Parijse conservatorium die sinds de 19e eeuw een invloed hadden op de nieuwe generatie. Vervolgens onderzoek ik of de vernieuwende stromingen uit de artistieke wereld doordrongen tot in de orgelliteratuur.
Het is duidelijk dat Olivier Messiaen een sleutelfiguur is wat betreft nieuwe tendensen in de orgelliteratuur. Aan hem en zijn orgeloeuvre in het Interbellum is een apart hoofdstuk gewijd.
In het laatste hoofdstuk belicht ik enkele andere componisten die binnen de orgelschriftuur in het Parijse Interbellum een vernieuwende toon aanslaan. Ik koos hierbij voor André Jolivet, Jean-Jacques Grunenwald en Jehan Alain.


Pieter Van den Brande: Dodecafonie in de jazz



Er zijn altijd vormen van wederzijdse interesse geweest van de jazzwereld voor de klassieke (en andersom). Tot in de jaren 1940 was die interesse vanuit de jazz meestal beperkt tot de tonale muziek van de 18de en de 19de eeuw. Met de opkomst van de bebop, de eerste jazzavant-garde, groeide echter ook de interesse voor nieuwe muziek. Het is echter wachten tot de jaren 1950 voor de eerste experimenten met twaalftoonsmuziek binnen de jazzscène. Sommige muzikanten, zoals Bill Evans, gebruiken de chromatische volledigheid als een aardigheidje en schrijven twaalftoonsmelodieën met tonale akkoorden eronder; andere nemen Schönbergs techniek klakkeloos over, bijvoorbeeld Tom Dissevelt; een derde categorie probeert de dodecafonie aan te passen aan de noden van de jazz. De belangrijkste uitdaging daarbij is het verzoenen van het strikte van de dodecafone compositietechniek met de vrijheid van de improvisatie in de jazz. De Amerikaanse gitarist Bruce Arnold slaagt daarin door zijn reeksen niet lineair te concipiëren maar te werken met reeksen van vier drieklanken, waarbij zowel de volgorde van de noten binnen elke drieklank als de volgorde van de drieklanken onderling gevarieerd kan worden. Op die manier verzekert hij een doorwerking van de dodecafonie buiten de klassieke canon, die bruikbaar blijkt in het jazzrepertoire.


Luk Vaes: Extended Piano Technique



Een glissando maken over de pianotoetsen alsof je met je vinger over een vioolsnaar glijdt, zogeheten clusters op de toetsen produceren met de vuist of onderarm, plukken aan de snaren binnenin de piano, strijken over een pianosnaar, een snaar al spelend met de vinger inkorten om een boventoon te kunnen maken, een piano doorzagen: het zijn allemaal voorbeelden van extended piano techniques, het onderwerp van het proefschrift van Luk Vaes. Het onderzoek toont aan dat het gebruik van extended piano techniques niet beperkt blijft tot de twintigste eeuw. In de achttiende eeuw had het een zekere traditie. Het pianospel geraakte meer en meer gestandaardiseerd in de negentiende eeuw onder invloed van de geïndustrialiseerde productie van standaard instrumenten.



Het werk van Luk Vaes bevat heel wat nuttige richtlijnen voor pianisten. Muziekhistorisch is het belangrijk omdat de studie het begrip zo nauwgezet en voor het eerst definieert en historisch overschouwt. De studie werpt nieuw licht op de geschiedenis van het pianospel. Luk Vaes toont overtuigend aan dat zijn inzichten ook kunnen leiden tot een nieuwe lezing van klassiekers die we dachten te kennen, onder meer van Haydn. De historische uitvoeringspraktijk moet zijn argumenten zeker ter harte nemen.





Lezingen en muzikale demonstraties zonder abstract:

- Koen Dries: Onderzoek naar een interpretatiemethode voor hedendaagse saxofoonmuziek toegespitst op Berio, Ibert, Denisov en Neyrinck



- Tille Van Gastel: Nieuwe perspectieven voor de dwarsfluit



- Nathan Vanden Bulcke: Henri Dutilleux: een laatbloeier? Een analytische benadering van de emanatie van het Mysterie in klank



- Clara Van den Bremt: Indonesische gamelan en zijn invloed op westerse piano- en kamermuziek